Hirsi Ali 2
2. Naturalisatie
Toen mevr. Hirsi Ali begin november 2002 tot de VVD toetrad en op een verkiesbare plaats voor een Tweede-Kamerzetel werd geplaatst, was ze vijf jaar Nederlander. Dat Nederlanderschap had ze in 1997 verkregen, nadat ze daartoe een verzoek had gedaan. Volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) kan een meerderjarige vreemdeling die vijf jaar een geldige verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd bezit en vijf jaar lang zonder onderbreking zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, een verzoek indienen om de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen (RWN, art. 7 en 8). Mevr. Hirsi Ali was op 24 juli 1992 naar Nederland gekomen en had hier volgens sommige bronnen binnen drie, volgens andere binnen vijf weken een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gekregen.1) Bij het indienen van het naturalisatieverzoek deed zich echter voor haar een probleem voor dat ook andere asielzoekers in dezelfde situatie hebben ervaren: wie bij zijn asielverzoek een onjuiste naam en geboortedatum heeft opgegeven, kan zijn of haar verblijfsvergunning kwijtraken als hij of zij naturalisatie aanvraagt onder zijn/haar eigen naam en met de juiste geboortedatum (zie: Vreemdelingenwet 1965, art. 12)2); bovendien blijkt in zo'n situatie dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte, wat ook nog eens tot strafvervolging kan leiden. Vandaar dat veel vluchtelingen die om wat voor reden ook -- variërend van een crimineel verleden tot angst voor represailles tegen achtergebleven familieleden -- bij hun asielaanvraag een onjuiste naam en/of geboortedatum hebben opgegeven, bij hun naturalisatieverzoek dezelfde gegevens vermelden.
Wat men in die situatie niet beseft is dat met de verkrijging van het Nederlanderschap het probleem van de bij de asielaanvraag vertelde onwaarheden weliswaar van de baan is -- men is immers geen vreemdeling meer, maar Nederlander --, maar dat nu de herhaalde onwaarheden in het naturalisatieverzoek een nieuw probleem3) vormen: als de nieuwe Nederlander, bijvoorbeeld omdat hij of zij met een schone lei wil beginnen, bij de gemeentelijke basisadministratie een verzoek om wijziging van de bij het naturalisatieverzoek verstrekte onjuiste gegevens indient, zal het gevolg daarvan momenteel in de regel zijn dat het Nederlanderschap hem/haar wordt ontnomen (ingetrokken) of geacht wordt hem/haar niet te zijn verleend; in het jargon heet dit laatste dat "het naturalisatiebesluit rechtsgevolg mist". Het ene, intrekking, gebeurt op basis van art. 14, lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), het andere op basis van staande jurisprudentie, die in november 2005 nog eens een bevestiging heeft gekregen in een arrest van de Hoge Raad; in dit geval gaat het specifiek om de naam en de geboortedatum van de verzoeker ("identiteitsfraude"), en de redenering van de Hoge Raad is, kort gezegd, dat het Nederlanderschap is verleend aan een persoon die niet wordt geïdentificeerd door de gegevens die de verzoeker heeft opgegeven. In 1997, toen mevr. Hirsi Ali Nederlandse werd, bestond art. 14 van de RWN nog niet (het artikel is pas op 1 april 2003 van kracht geworden), en voor zover ik heb kunnen nagaan heeft lid 1 van dit artikel ook geen terugwerkende kracht; dat zou betekenen dat dit artikel ook niet, zoals nogal eens wordt gesuggereerd, op mevr. Hirsi Ali van toepassing was (en is). Hoe dan ook, in 1997 zwom mevr. Hirsi Ali niets vermoedend in dezelfde fuik als andere asielzoekers met een verblijfsvergunning bij het indienen van een naturalisatieverzoek hebben gedaan: ze gaf de onjuiste naam en geboortedatum op die ze ook bij haar asielaanvraag had gebruikt.
Onder punt 4 zullen we gaan kijken naar de gebeurtenissen rond het optreden van minister Verdonk, maar op dit punt moeten we eerst nog even terugkomen op de gebeurtenissen in de laatste maanden van 2002, toen mevr. Hirsi Ali zich bij de VVD aansloot, met uitzicht op een verkiesbare plaats voor de Tweede Kamer. In de vorige post hebben we gezien hoe Theodor Holman in de op 19 mei 2006 door de Humanistische Omroep uitgezonden documentaire "Ik ben Ayaan" op 23 december 2002 terugkijkt op een dineetje met hemzelf, de filmmaakster Eveline van Dijck en Marco van Kerkhoven waarin mevr. Hirsi Ali verteld heeft dat de Somalische gemeenschap een proces zou willen beginnen om te beletten dat zij Kamerlid voor de VVD zou worden. In dat verband had ze de VVD-leiding -- met name de toenmalige voorzitter B. Eenhoorn en de toenmalige lijsttrekker G. Zalm -- ingelicht over het feit dat ze in haar asielaanvraag een onjuiste naam en geboortedatum had opgegeven. Ik vond dat een wonderlijk verhaal: het kwam wel erg gelegen in de context van een situatie waarin mevr. Hirsi Ali zelf, minister Zalm en vrienden van mevr. Hirsi Ali stelden dat de Zembla-uitzending eigenlijk niets nieuws bevatte bovenop datgene wat mevr. Hirsi Ali zelf al jarenlang verteld had. Daarbij kwam een op het eerste gezicht vreemd detail: in de documentaire ontvangt Theodor Holman mevr. Hirsi Ali en Eveline van Dijck op 19 december 2002 bij hem thuis; de datum van 19 december wordt in het betreffende gedeelte van de film getoond. Vervolgens maakt Eveline van Dijck, als verteller, melding van het dineetje dat "drie dagen later" plaatsvond. De meest voor de hand liggende interpretatie daarvan is dat dat etentje op 22 december 2002 (een zondagavond) plaatsvond. De terugblik van Theodor Holman is echter in de film 23 december gedateerd.4) Verder begreep ik niet waarom mevr. Hirsi Ali al in 2002 bang was haar Nederlanderschap te verliezen, terwijl art. 14 van de RWN toen nog niet van kracht was en het arrest van de Hoge Raad over het ontbreken van een rechtsgevolg bij identiteitsfraude nog drie jaar op zich zou laten wachten; dat de heer Eenhoorn of mevr. Hirsi Ali zelf de lagere jurisprudentie met betrekking tot het ontbreken van een rechtsgevolg bij identiteitsfraude zouden kennen, leek me niet zo waarschijnlijk. Ten slotte vond ik de vorm waarin de documentaire het nieuws bracht dat mevr. Hirsi Ali de VVD-top al in 2002 had ingelicht, ongelukkig: zulk nieuws toon je uit de eerste hand, met beelden die mevr. Hirsi Ali laten zien terwijl ze haar vrienden het verhaal vertelt, en niet in de vorm van een terugblik door iemand anders, van horen zeggen. Aan de andere kant leek het mij erg onwaarschijnlijk dat de documentaire, ook al bestaat die uit een aantal losse fragmenten, gemanipuleerd zou zijn -- alle aanwezigen van die avond zouden dan in het complot moeten zitten -- en was het probleem met de "drie dagen later" eenvoudig op te lossen door aan te nemen dat het dineetje inderdaad op 22 december had plaatsgevonden, maar tot bij twaalven had geduurd, waarna de terugblik van Theodor Holman in de kleine uurtjes van 23 december had plaatsgevonden.
In mijn vorige post heb ik ook geschreven dat delen van het verhaal van Theodor Holman over het verloop van die avond van verschillende kanten bevestigd zijn. Er leek dus geen vuiltje aan de lucht. Maar sinds dinsdag 27 juni beschikken we over een "Feitenrelaas Onderzoek IND 2002" en een brief aan de Tweede Kamer van minister Verdonk, die sommige punten uit het verhaal verduidelijken, maar bij andere nieuwe vragen oproepen. Een verduidelijking ligt in de datum van 23 december 2002. Op die dag, aldus het Feitenrelaas, werd de heer B. Eenhoorn door de AIVD ingelicht over het feit dat bij de IND en de AIVD twijfels bestonden over het asielverhaal van mevr. Hirsi Ali.5) Hoewel dat niet in het Feitenrelaas staat, ligt de gedachte voor de hand dat de heer Eenhoorn diezelfde dag nog met mevr. Hirsi Ali heeft gesproken, die daarover vervolgens tijdens het dineetje met Holman c.s. heeft verteld. Dat betekent dus dat het dineetje op 23 en niet op 22 december 2002 heeft plaatsgevonden. Een andere verduidelijking is dat ook in het Feitenrelaas de mogelijkheid dat mevr. Hirsi Ali vanwege onwaarheden in haar naturalisatieverzoek het Nederlanderschap niet zou hebben verkregen, wordt genoemd. (Op de rol van de IND in deze kom ik later terug.) Vandaar dat mevr. Hirsi Ali daar ook na haar gesprek met de heer Eenhoorn op het dineetje melding van kon maken. Tot zover de verduidelijking. De nieuwe vragen die het Feitenrelaas oproept, betreffen zowel de terugblik van Holman als het Feitenrelaas zelf. Zo wordt in het Feitenrelaas met geen woord gerept over plannen van de Somalische gemeenschap om een proces te beginnen, terwijl dat in de terugblik in de documentaire een prominente plaats inneemt. Volgens het Feitenrelaas was er een prozaïscher aanleiding tot de consternatie die eind 2002 over mogelijke problemen met het Kamerlidmaatschap en het Nederlanderschap van mevr. Hirsi Ali ontstond: volgens een memorandum van een medewerker van het Bureau Bijzondere Zaken van de IND van 10 december 2002 zou de uitzending van Barend en Van Dorp van 11 september 2002 de aanleiding tot het onderzoek door de IND zijn geweest. Ik citeer: "Op 11 september 2002 gaf betrokkene in het televisieprogramma ‘Barend en Van Dorp’ aan dat zij bij haar asielaanvraag een onjuiste identiteit heeft opgegeven, aldus het memorandum van 10 december 2002. In hetzelfde memorandum staat dat volgens een krantenbericht betrokkene zou zijn genaamd ‘Ayan Mahamoud’."
Deze weergave van het betreffende memorandum in het Feitenrelaas bevat in twee zinnen twee onjuistheden. In de eerste plaats is in in het programma van Barend en Van Dorp, zoals we in de vorige post, noot 10, hebben gezien, de onjuiste identiteit van mevr. Hirsi Ali helemaal niet ter sprake gekomen. De enige expliciete mededeling over een leugen die ze daar doet is: "Ik heb niet gemeld dat ik direct uit Kenia kwam. Ik zei dat ik uit Somalië kwam." Het lijkt mij goed hierbij nog eens op te merken dat deze onwaarheid de IND niet meer behoefde te interesseren; mevr. Hirsi Ali was immers in 1997 Nederlands staatsburger geworden en viel niet meer onder het vreemdelingenrecht. De tweede onjuistheid betreft de zin over de naam "Ayan Mahamoud". Eén blik in de Krantenbank, of zelfs een zoekactie met Google, kon en kan iedereen duidelijk maken dat Ayan Mahamoud een ander persoon is dan Ayaan Hirsi Ali.6) Deze post gaat over feiten, niet over meningen of oordelen, maar het mag toch wel opmerkelijk heten dat de inhoud van dit memorandum blijkens het Feitenrelaas zonder enige verificatie van de daarin gedane beweringen achtereenvolgens de hoofddirecteur van de IND, medewerkers en dienstleiding van de AIVD en minister Remkes van Binnenlandse Zaken passeerde, alvorens via de heer Eenhoorn ten slotte aan de Kiesraad te worden voorgelegd, "die geen problemen zag". Verbazingwekkend is ook om te zien dat het memorandum van drie maanden na de uitzending van Barend en Van Dorp dateert, en zeven weken na de krantencolumn waarop de identificatie van Ayaan Hirsi Ali met Ayan Mahamoud vermoedelijk gebaseerd is.
Ik sluit deze sectie over de naturalisatie van mevr. Hirsi Ali in 1997 af met de resultaten van een onderzoekje naar de vraag of de consternatie die eind 2002 over de onjuiste naam en geboortedatum ontstond enig effect heeft gehad op haar eigen presentatie van die naam en geboortedatum in de media en elders. Dat lijkt het geval te zijn. De eerste plaats om dat te controleren is de aan haar gewijde pagina van de leden van de Tweede Kamer, waarop thans de geboortedatum 13 november 1969 vermeld staat. Maar wie de gearchiveerde kopie van deze pagina van 27 april 2003 in het Internet Archive raadpleegt, vindt daar als haar geboortedatum 13 november 1967 genoemd; en ook de kopie van 14 december 2003 vermeldt nog die datum; pas in de kopie van 25 februari 2004 vinden we 1969 als het geboortejaar.7) Zoals eerder vermeld was mevr. Hirsi Ali vanaf eind januari 2003 Kamerlid, dus in elk geval figureerde ze het eerste jaar van haar Kamerlidmaatschap op de site van de Tweede Kamer als zijnde geboren in 1967. Ter vergelijking: de gearchiveerde kopie van 24 december 2003 van het record over mevr. Hirsi Ali in de database van het Parlementair Documentatiecentrum in Leiden, Parlement en Politiek, vermeldt 13 november 1969 als geboortedatum.
De gegevens uit het Internet Archive zijn om verschillende redenen interessant, vooral als we ze combineren met een aantal andere gegevens die in de vorige post ter sprake zijn gekomen. We hebben gezien dat mevr. Hirsi Ali op z'n laatst vanaf april 2002 impliciet met haar juiste leeftijd (toentertijd 32) en geboortejaar (1969) naar buiten is getreden. Nu zien we dat in de aan haar gewijde pagina van de Tweede Kamer in elk geval vanaf 27 april 2003 toch weer het geboortejaar 1967 opduikt; in de vorige post kwam bovendien al even ter sprake dat ook op de achterzijde van het omslag van De maagdenkooi dat geboortejaar figureert. De maagdenkooi verscheen eind augustus 2004 (zie ook: Het Parool, 28 augustus 2004, p. 32), en we kunnen dus concluderen dat tussen eind april 2003 en eind augustus 2004 het geboortejaar 1967 in diverse publicaties opduikt; dat gebeurde ook in het Algemeen Dagblad van 20 maart 2004, waar mevr. Hirsi Ali zich als columniste van die krant aan de lezers voorstelt. Overigens had het Algemeen Dagblad ook al op 29 januari 2003 in een lijst van de Tweede-Kamerleden mevr. Hirsi Ali als 35-jarige vermeld, wat een geboortedatum van 1967 impliceert.
Betekent dit nu dat mevr. Hirsi Ali in die periode zelf weer naar 1967 als haar geboortejaar is teruggekeerd? Met zekerheid valt dat niet te zeggen, maar het heeft er wel de schijn van: in de aan haar gewijde pagina van de Tweede Kamer is in elk geval de daar genoemde opgave onder 'Nevenfuncties' dat zij inkomsten uit de verkoop van haar boek De zoontjesfabriek geniet, van haarzelf afkomstig; voor het omslag van De maagdenkooi hoeft ze niet verantwoordelijk te zijn, maar dat in het Algemeen Dagblad van 20 maart 2004 buiten haar medeweten een onjuiste geboortedatum werd vermeld, komt mij niet zo waarschijnlijk voor. Opvallend is dat nadat mevr. Hirsi Ali in november 2004 als columniste bij het Algemeen Dagblad gestopt was, op 4 december 2004 in die krant een artikel, getiteld: "Hirsi Ali Superstar ; De warlord van de VVD gaat koppig door met de strijd tegen de islam", over haar verscheen waarin haar juiste geboortedatum, 13 november 1969, wordt opgegeven.
Wie de Krantenbank over de periode januari 2003 tot half oktober 2004 raadpleegt op zoek naar vermeldingen van 1969 als het geboortejaar van mevr. Hirsi Ali, of 33/34 jaar als haar leeftijd, komt een aantal vermeldingen tegen, waarvan de meeste niet direct met mededelingen van mevr. Hirsi Ali zelf in verband kunnen worden gebracht. De enige duidelijke uitzondering is de vermelding in een interview door Jutta Chorus in NRC Handelsblad van 28 augustus 2004, p. 40, onder de titel "Ze zullen zien dat ik gelijk heb ; een half jaar met Ayaan Hirsi Ali." Hier staat de werkelijke geboortedatum genoemd in een zin die de interviewster alleen uit de mond van de geïnterviewde kan hebben opgetekend. Dat wil zeggen dat mevr. Hirsi Ali in elk geval op de dag van het interview 1969 weer als geboortejaar vermeldde.
Waarom zijn deze data van belang? Ze nuanceren de vaak gehoorde bewering dat mevr. Hirsi Ali altijd al heel open over haar naam en geboortedatum is geweest. Zelf zei ze het op 16 mei 2006 nog eens op de persconferentie waarop ze haar aftreden als Kamerlid en haar vertrek naar de VS aankondigde (zie eerste post, noot 15), en minister Zalm, die vanwege de gebeurtenissen eind 2002 toch eigenlijk beter had moeten weten, zei het haar na (zie eerste post, noot 14).
3. Uitspraak Gerechtshof Den Haag over beveiligde woonruimte
Zoals ik in de eerste post schreef is de hele affaire rond het Nederlanderschap van mevr. Hirsi Ali niet de directe reden voor haar vertrek uit Nederland geweest; ze heeft dat vertrek alleen enigszins bespoedigd: als ze zich niet had voorgedaan, zou mevr. Hirsi Ali haar Kamerlidmaatschap ook vóór 1 september van dit jaar hebben beëindigd en naar de VS zijn vertrokken.8) De doorslaggevende reden daarvoor was een uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag van 27 april 2006 in een zaak in hoger beroep van een aantal buren van mevr. Hirsi Ali in het appartementengebouw waarin zij in een beveiligde flat is ondergebracht, tegen de Staat. Ook deze episode heeft de nodige verwarring teweeggebracht, zowel in de binnenlandse als in de buitenlandse media, alsook bij politici en zelfs wetenschappers en schrijvers. Wat in een groot deel van de berichtgeving ontbreekt is dat de actie van mevr. Hirsi Ali's medebewoners zich niet tegen haarzelf richtte maar (onder meer) tegen een verzuim van de Staat om een wettelijke grondslag te scheppen voor een inbreuk op een hun door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gegarandeerd recht. Dit recht is neergelegd in art. 8 van het EVRM, dat luidt:
"Artikel 8 Recht op eerbiediging van privéleven, familie- en gezinsleven
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."
De buren van mevr. Hirsi Ali hadden (onder meer) geklaagd dat "dat de angst dat een aanslag op [betrokkene] ook hen zal treffen gevoelens van onveiligheid veroorzaakt" (1.3), en de cruciale overwegingen van het hof in deze zijn dat "de Bewoners in een situatie zijn gebracht dat zij zich niet veilig voelen in hun eigen woning" (3.10), dat "deze inbreuk [niet] 'bij de wet is voorzien' in de zin van art. 8 lid 2 EVRM" (3.11) en dat "de fout van de Staat om haar zonder een wettelijke voorziening in haar huidige appartement te huisvesten[...] niet op de Bewoners, die hiermee niet hebben ingestemd, [mag]worden afgewenteld" (3.14).
De Nederlandse staat is tegen deze uitspraak in cassatie gegaan, een feit dat, zeker in de buitenlandse berichtgeving, nogal eens onvermeld blijft.
4. Minister Verdonk en het Nederlanderschap van mevr. Hirsi Ali
Zoals we in de eerste post hebben gezien werd op 11 mei het Zembla-programma "De heilige Ayaan" uitgezonden waarin mevr. Hirsi Ali in de volle openbaarheid bracht bij haar asielaanvraag een onjuiste naam en geboortedatum te hebben opgegeven. Een expliciete erkenning dat ze een valse naam had opgegeven had ze al eerder in een interview door Jutta Chorus in NRC Handelsblad van 28-8-2004 gedaan, en in The New York Times van 3 april 2005 had ze al eerder expliciet laten weten over haar geboortedatum te hebben gelogen. Nieuw waren deze gegevens dus niet, wel werden ze voor het eerst in een tv-programma -- "the medium is the message"-- in verband met de andere onwaarheden in haar asielverhaal gebracht en met getuigenissen van derden geadstrueerd.
In de media riep het programma merendeels negatieve reacties op. In sommige daarvan (onder meer van toenmalig fractieleider van de VVD, Van Beek, en van minister Zalm) werd gesteld dat het niets nieuws bracht en dat mevr. Hirsi Ali er nooit twijfel aan had laten bestaan dat haar asielverhaal onwaarheden bevatte; zoals we hebben gezien is dat maar ten dele waar: begin november 2002, toen mevr. Hirsi Ali lid van de VVD werd, waren alleen het partijbestuur van die partij, minister Remkes, de IND en de AIVD van alle onwaarheden op de hoogte,9) en in 2003 lijkt mevr. Hirsi Ali in media als de aan haar gewijde webpagina van de Tweede Kamer en haar introductie als columniste bij de Volkskrant de indruk te hebben gewekt of laten voortbestaan dat ze in 1967 geboren was. In andere reacties werd de Zembla-redactie ervan beschuldigd een hetze tegen mevr. Hirsi Ali te voeren; en op het web verschenen nog verder gaande complottheorieën. Een reactie op een deel van de kritiek werd door de eindredacteur van Zembla, Kees Driehuis, gegeven. Over de motieven voor de uitzending van het programma past mij geen oordeel; wel heb ik in mijn eerste post enkele malen met [sic] aangegeven waar de programmamakers naar mijn mening blijk gaven van vooringenomenheid.
Belangrijker dan de reacties in de media was echter de reactie van het Kamerlid H. Nawijn, voormalig directeur van de IND (1988-1996) en minister voor Vreemdelingenbeleid en Integratie van 22 juli 2002 tot 26 mei 2003. Nawijn, die volgens het Feitenrelaas eind 2002 en begin 2003 noch door zijn eigen IND noch door zijn collega Remkes op de hoogte was gesteld van de verwikkelingen rondom de onwaarheden in het asielrelaas van mevr. Hirsi Ali, stelde op 15 mei een tiental vragen omtrent de Zembla-uitzending en de mogelijke consequenties voor de asielstatus en het Nederlanderschap van mevr. Hirsi Ali aan minister Verdonk,10) die daarop de volgende dag antwoordde. De snelheid waarmee dat gebeurde, is de minister op veel kritiek komen te staan en heeft tot speculaties omtrent haar motieven geleid. Maar er is waarschijnlijk een eenvoudige rechttoe-rechtaan verklaring voor de snelle handelwijze van de minister: op vrijdag 12 mei verklaarde de minister nog dat mevr. Hirsi Ali niet te vrezen had voor gevolgen voor leugens die zij bij haar asielaanvraag verteld had,11) maar al de volgende ochtend kondigde een woordvoerder van het departement van Justitie -- waar minister Verdonk deel van uitmaakt -- een onderzoek aan. Wat er in de tussentijd was gebeurd was dat de hoogleraar R. de Groot en de asieladvocate Loes Vellinga er in Trouw van die ochtend op hadden gewezen dat mevr. Hirsi Ali niet alleen bij haar asielaanvraag had gelogen, maar vermoedelijk ook "identiteitsfraude" had gepleegd toen ze haar naturalisatieverzoek indiende. De hoogleraar was zo vriendelijk daarbij meteen naar het arrest van de Hoge Raad te verwijzen waarvan hierboven sprake was en sprak op 15 mei in NRC Handelsblad de verwachting uit dat de ambtenanaren op het ministerie "binnen een aantal dagen weten hoe het zit". Dat bleek ruim geschat, want op diezelfde dag, tussen drie en half vier 's middags had de minister mevr. Hirsi Ali al gebeld met de mededeling dat ze geen Nederlandse was. Tevens ging er een brief naar haar uit, waarin diezelfde (voorlopige) constatering werd gedaan.12)
De minister was zeker van haar zaak, en mij lijkt dat begrijpelijk: nadat de door prof. De Groot uitgeworpen stuiver eenmaal bij de IND en op het departement van Justitie was gevallen, zal men daar ongetwijfeld hebben beseft dat in tientallen vergelijkbare gevallen de IND en de rechter niet anders hadden beslist. Zoals al eerder opgemerkt, de conclusie dat het naturalisatiebesluit bij identiteitsfraude geen rechtsgevolg had gehad was ook al jaren voor het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2005 staande praktijk, en was als zodanig ook in een Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap opgenomen.13)
In het spoeddebat dat de Tweede Kamer op 16 mei 2006 aan de zaak wijdde, is minister Verdonk ook verweten dat ze al lang wist dat mevr. Hirsi Ali Magan heette in plaats van Ali. Het Kamerlid mevr. Halsema trok die conclusie uit het feit dat het interne mailadres van mevr. Hirsi Ali Magan@tweedekamer.nl is, maar kon die conclusie in tweede termijn --althans wat persoonlijke wetenschap van de minister betreft -- niet hardmaken.14)
Wist minister Verdonk al vóór de Zembla-uitzending dat mevr. Hirsi Ali eigenlijk Magan heette? Laat ik vooropstellen dat ik het antwoord op die vraag niet zo belangrijk vind. Mevr. Halsema verbond aan een positief antwoord op de vraag de conclusie dat de minister "in een eerder stadium wel degelijk bijzondere omstandigheden [heeft] toegekend aan haar situatie en geen redenen [heeft] gezien om een onderzoek te starten naar haar naturalisatie", maar mij lijkt die conclusie erg vergezocht. De "bijzondere omstandigheden" waar het Kamerlid van repte, zijn bijzondere omstandigheden die in het arrest van de Hoge Raad inzake identiteitsfraude worden genoemd als uitzonderingen op de regel dat identiteitsfraude tot nietigheid van de verlening van het Nederlanderschap leidt; en als de minister zich op 12 mei van dat arrest en zijn toepasselijkheid op het geval-Hirsi Ali bewust was geweest, zou ze niet hebben verklaard dat mevr. Hirsi Ali "niet te vrezen" had. Maar goed, ook anderen hebben proberen aan te tonen dat minister Verdonk al langere tijd wist dat mevr. Hirsi Ali eigenlijk Magan heette. Zoals we hebben gezien is het niet waarschijnlijk dat mevr. Verdonk, die pas in mei 2003 als minister van Vreemdelingenzaken en Integratie aantrad, tot de kring van vooraanstaande VVD'ers behoorde die door hetzij mevr. Hirsi Ali hetzij de IND van de ware identiteit van mevr. Hirsi Ali op de hoogte waren gesteld. Maar volgens de columniste Ebru Umar had de minister een open brief van haar hand aan mevr. Hirsi Ali in Propria Cures van december 2004 gelezen waarin als tussenzin de zinsnede "Magan heet je toch eigenlijk, Ayaan?" voorkwam; mevr. Umar was daarna in april 2005 door de minister voor een gesprek uitgenodigd en had haar open brief in een mapje van de minister zien zitten. Ook had ze de minister voorgehouden dat mevr. Hirsi Ali een leugenaar en bedriegster was. Volgens het Algemeen Dagblad van 18 mei 2006, dat hierover berichtte, was de reactie van de woordvoerder van de minister op dit verhaal dat "de minister [...] niet eerder [heeft] kennis genomen van de valse naam in de context van de naturalisatie". En hoewel woordvoerders en voorlichters ook wel eens liegen -- het meest saillante voorbeeld dat ik ken is er een van de vroegere RVD-chef Eef Brouwers15) -- ben ik in dit geval geneigd de woordvoerder te geloven. De open brief van Ebru Umar is één lange invectief tegen mevr. Hirsi Ali, en hoewel ze ook in het programma Netwerk van 17 mei16) verklaard heeft met minister Verdonk over de leugens van mevr. Hirsi Ali te hebben gesproken, vermeldt ze daarin niet dat daarbij de specifieke leugen over de naam Ali daarbij ter sprake is gekomen. Het is zeker aannemelijk dat mevr. Verdonk kennis heeft genomen van de bovenvermelde zinsnede, maar de gevolgtrekking dat de minister daar op dat moment de conclusie uit had moeten trekken dat mevr. Hirsi Ali het Nederlanderschap niet had verkregen, gaat mij te ver. Ik wijs erop dat er in april 2005 bij de IND wel een standaardprocedure voor de omgang met identiteitsfraude bestond, maar dat het arrest van de Hoge Raad daarover van een half jaar later dateert.
In deze discussie heeft ook de schrijver en vriend van mevr. Hirsi Ali, Leon de Winter gemengd. In de uitzending van Nova van 16 mei17) (vgl. De Telegraaf van 16 mei) meldde deze aanwezig te zijn geweest bij een telefoongesprek tussen mevr. Hirsi Ali en minister Verdonk over Taida Pasić, de Servisch-Kosovaarse scholiere met wie mevr. Verdonk in de eerste maanden van 2006 overhoop lag over de vraag of ze hier in Nederland haar eindexamen zou mogen doen alvorens te worden uitgezet. Tijdens het telefoongesprek met de minister, waarin mevr. Hirsi Ali de minister had gesmeekt Taida een verblijfsvergunning te verlenen, had, aldus Leon de Winter, het Kamerlid mevr. Verdonk voorgehouden dat zij ook gelogen had, waarop mevr. Verdonk zou hebben geantwoord: "Als ik het van jou had geweten, had ik je ook wegggestuurd." Leon de Winter trok daaruit de conclusie: "...ofwel, maanden geleden al was Rita Verdonk hiervan op de hoogte." In werkelijkheid bewijst het telefoongesprek dat De Winter had bijgewoond niet meer dan de twee zinnen die tussen beide dames gewisseld zijn, en het lijkt mij waarschijnlijk dat ze daarbij allebei dachten aan onwaarheden die mevr. Hirsi Ali in haar asielaanvraag had vermeld. Dat mevr. Hirsi Ali bij haar naturalisatieverzoek een verkeerde naam had opgegeven, is niet ter sprake gekomen.
Al eerder tijdens het Kamerdebat18) had de minister melding gemaakt van de interne memo's en de bij de IND aanwezige kennis van de twijfel omtrent mevr. Hirsi Ali's werkelijke naam waarvan hierboven in verband met het "Feitenrelaas Onderzoek IND 2002" sprake is geweest. We stuiten hier op een van de meer raadselachtige aspecten van de affaire. De minister zelf mag dan tot de Zembla-uitzending van 11 mei 2006 niet op de hoogte zijn geweest van de onjuiste naam en geboortedatum die mevr. Hirsi Ali in haar naturalisatieverzoek had opgegeven, bij de IND was men dat sinds 10 december 2002 wel (of althans, men meende dat te zijn, zie boven). Sterker nog, al in het memo van 10 december werd de toenmalige hoofddirecteur van de IND, H.W.M. (Dick) Schoof,19) erop geattendeerd dat "wanneer sprake zou zijn van een onjuiste identiteit, dit zou betekenen dat zij feitelijk niet is genaturaliseerd"; ook werd in het memo geadviseerd "betrokkene te doen aanschrijven met het verzoek duidelijkheid te verschaffen over haar juiste identiteit, om haar om uitleg te vragen en haar over de eventuele consequenties van de verstrekking van onjuiste identiteitsgegevens in te lichten. Tevens wordt geadviseerd om, aan de hand van hetgeen betrokkene alsdan bericht, te bezien of de IND nadere actie moet ondernemen." Om redenen die niet in het Feitenrelaas vermeld staan, werd dit advies niet opgevolgd.
Volgens een tweede memorandum, van 17 december 2002, had op die dag een gesprek plaats tussen ambtenaren van het bureau Bijzondere Zaken van de IND en de hoofddirecteur, waarbij opnieuw geconstateerd werd: "Indien betrokkene onder een onjuiste of valse naam zou zijn
genaturaliseerd, is zij geen Nederlandse geworden". Dan volgt een redenering die ik hieronder in haar geheel weergeef:
"• Er zijn inmiddels twijfels ontstaan over het asielrelaas. Betrokkene is door
journalisten hierover bevraagd, maar is onduidelijk gebleven;
• Objectief toetsbare gegevens zijn niet voorhanden en vergen nader
onderzoek;
• Als de gegevens met betrekking tot de onjuistheid of valsheid van de
naam meer concreet worden, zal de IND nader onderzoek moeten doen
en eventueel moeten constateren dat het Nederlanderschap niet is
verleend aan betrokkene;
• Het moment voor nader onderzoek is nu nog niet aangebroken..."20)
De rest van dit verhaal heb ik hierboven beschreven: intussen was de zaak met de AIVD besproken, die minister Remkes inlichtte, waarna de kwestie via de heer Eenhoorn van de VVD op het bordje van de Kiesraad werd gedeponeerd. Zelf deed de IND er niets meer mee; zelfs de eigen minister, destijds de heer Nawijn, werd niet ingelicht, met als gevolg dat deze in mei 2006 als Kamerlid vragen moest stellen over een zaak waarover hij drie-en-een-half jaar eerder als minister had behoren te worden geïnformeerd.
Zoals bekend eindigde het Kamerdebat van 16 mei in twee door de Kamer aangenomen en door de minister geaccepteerde moties: de motie-Van Beek21) en de motie-Verhagen.22) In beide moties wordt de minister opgeroepen haar voorlopige constatering dat moest worden aangenomen dat mevr. Hirsi Ali het Nederlanderschap niet had verkregen, te heroverwegen; maar de motie-Verhagen is een poging de motie-Van Beek te verduidelijken op een aantal punten waarop Kamer en minister elkaar niet leken te begrijpen. De essentie van beide moties is dat de minister wordt gevraagd om, in de woorden van de motie-Verhagen, "nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden om zodoende tot een zorgvuldig besluit23) te komen en de Kamer hierover te informeren", en de bijzondere omstandigheden waarvan hier sprake is zijn -- in het algemeen -- de ontsnappingsmogelijkheden die het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad biedt om onder de conclusie dat mevr. Hirsi Ali het Nederlanderschap niet had verkregen uit te komen. Ze liggen besloten in de zin: "Een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen, identificeert - behoudens bijzondere omstandigheden waaromtrent door de rechtbank in deze niets is vastgesteld - betrokkene immers niet, en heeft daarom geen rechtsgevolg" (rechtsoverweging 3.3), en moeten gelezen worden in samenhang met een passage uit de conclusie van de procureur-generaal (PG) van de Hoge Raad, die de Hoge Raad advies uitbrengt hoe in een bepaalde zaak te oordelen. Deze passage luidt: "Daarbij verdient aantekening dat in andere gevallen van foutieve persoonsgegevens aan het naturalisatiebesluit rechtsgevolg niet steeds behoeft te worden ontzegd. Te denken valt aan gevallen waarin de opgegeven naam of andere persoonsgegevens een kennelijke verschrijving bevatten of als gevolg van transscriptieproblemen zijn verbasterd, of aan gevallen waarin de opgegeven naam een naam is waaronder de naturalisandus (ook) bekend staat en door hem - volgens het toepasselijke recht - bevoegdelijk is gevoerd. In deze gevallen betreffen de vermelde gegevens de naturalisandus en kunnen hem ook identificeren."
Tijdens het Kamerdebat was het in elk geval een aantal sprekers duidelijk dat ontsnappingsmogelijkheden aan de (voorlopige) constatering van de minister in deze richting zouden moeten worden gezocht, en een van de nuttiger observaties over dit punt tijdens het Kamerdebat was een opmerking van mevr. Van der Laan (D'66) dat de zinsnede "te denken valt" duidt op een niet-limitatieve opsomming.24). Het cruciale punt in de redenering van de procureur-generaal is kennelijk dat de naturalisandus -- de persoon die het verzoek om verlening van het Nederlanderschap doet -- op basis van de door hem of haar verstrekte gegevens identificeerbaar moet zijn. En dat criterium biedt waarschijnlijk meer mogelijkheden dan de drie voorbeelden die in de conclusie van de PG worden genoemd.
Minister Verdonk had mevr. Hirsi Ali zes weken de tijd gegeven om met een reactie op haar voorlopige constatering te komen, en dat betekende dat de minister zelf evenveel tijd had om de moties-Van Beek en -Verhagen uit te voeren. De bemoeienis van de Kamer in dit stadium in dit individuele geval leidde tot een in het naturalisatierecht vermoedelijk unieke situatie, waarin de advocaten van mevr. Hirsi Ali,25) en ambtenaren van het departement van Justitie en/of de IND, een uitweg uit de ontstane situatie moesten zien te vinden waardoor mevr. Hirsi Ali haar Nederlanderschap zou kunnen behouden (via de weg van de "bijzondere omstandigheden"), dan wel zo spoedig mogelijk terugkrijgen (motie-Van Beek).
Uit de Brief minister Verdonk over naturalisatie mevrouw Ayaan Hirsi Ali (Kamerstuk 2005-2006, 30559, nr. 6) , die de minister 27 juni naar de Kamer stuurde, blijkt hoe beide partijen zich van hun taak hebben gekweten. De uitkomst van hun inspanningen is in het kort het volgende verhaal: Het Somalische naamgevingsstelsel is anders dan het onze. Terwijl wij een of meer eigennamen (voornamen) en een geslachtsnaam (achternaam) dragen, dragen Somaliërs een eigen geboortenaam, de naam van hun vader, die van hun grootvader en desgewenst de namen van andere voorvaderen van vaderskant in opgaande lijn. Mevr. Hirsi Ali droeg Ayaan als haar geboortenaam, gevolgd door de naam van haar vader en die van diens vader: Ayaan Hirsi Ali. Ali, de grootvader, zou aanvankelijk de geboortenaam Ali hebben gedragen, maar omstreeks 1870 de naam Magan hebben gekregen, met als gevolg dat Ayaans vader niet Hirsi Ali Isse -- Isse is de naam van Ayaans overgrootvader, Hirsi's grootvader -- maar Hirsi Magan Isse heette. Vandaar dat mevr. Hirsi Ali tot zij in Nederland arriveerde de naam Ayaan Hirsi Magan droeg, een naam die zij bij haar asielaanvraag, en later haar naturalisatieverzoek, had terug veranderd in Ayaan Hirsi Ali. Anders dan ze in de Zembla-uitzending en bij eerdere gelegenheden had verteld, had ze in haar asielaanvraag en haar naturalisatieverzoek dus niet over haar naam gelogen, maar daarin een naam opgegeven die ze ook bevoegd was te voeren omdat het de geboortenaam van haar grootvader was. Met andere woorden, toen ze verklaarde over naam te hebben gelogen, had ze zich vergist, of zoals het in de brief heet "gedwaald". Bovendien kwam de naam Ali nog ettelijke malen eerder in de vaderlijke stamboom van mevr. Hirsi Ali voor en zou het Somalische naamrecht het mogelijk maken dat ze de naam ook om die reden droeg.
De brief van de minister telt zeven bladzijden, waarvan de minister amper drie kantjes nodig heeft om tot de conclusie te komen dat "er voldoende reden is om thans in rechte aan te nemen dat het naturalisatiebesluit de juiste naam bevat". Verder is de brief, samen met een "Verklaring van mevrouw Ayaan Hirsi Ali", die er als bijlage bij is gevoegd, het enige stuk dat over deze zaak openbaar is gemaakt; de correspondentie tussen de advocaten/de gemachtigde van mevr. Hirsi Ali en het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken dat door de minister in het kader van een eigen onderzoek is gevraagd, zijn dat niet.
De brief van de minister en de bijlage roepen tal van vragen op, maar deze post is al langer uitgevallen dan mijn bedoeling was. Laat ik daarom volstaan met een paar kanttekeningen over aspecten van beide stukken die bij mijn weten niet in het Kamerdebat van 28 juni ter sprake zijn gekomen. Aan kromme formuleringen, onbegrijpelijke redeneringen en gebrekkig Nederlands in de brief ga ik maar voorbij.26)
Al op 16 mei, de dag waarop ze de brief van minister Verdonk met de voorlopige constatering over haar Nederlanderschap ontving, legde mevr. Hirsi Ali een verklaring af waarin ze haar terugtreden als Kamerlid bekendmaakte. Diezelfde dag verscheen een Engelstalige versie van haar verklaring met een opvallend nieuwtje: niet voor de eerste keer meldde mevr. Hirsi Ali dat ze bij haar asielaanvraag de naam Ali in plaats van Magan had opgegeven om aan de aandacht van haar clan te ontsnappen, maar ditmaal vertelde ze erbij dat Ali de geboortenaam van haar grootvader was.27) Dat was nieuw, want voordien was altijd aangenomen dat Ali de (derde) naam van haar moeder was; of zijzelf de bron voor die veronderstelling is geweest, heb ik niet kunnen nagaan, maar gezien het feit dat alles wat we vóór de Zembla-uitzending over mevr. Hirsi Ali wisten, van haar afkomstig was, lijkt dat wel aannemelijk. Als het zo zou zijn, zou de overstap van (derde) naam van haar moeder naar geboortenaam van haar grootvader erop duiden dat mevr. Hirsi Ali al op 16 mei de basis van een strategie klaar had om haar Nederlanderschap te behouden. Ook de woordkeuze in de verklaring lijkt daarop te duiden: mevr. Hirsi Ali liet weten dat ze de geboortenaam van haar grootvader had "gekozen", en dit is dezelfde term die haar advocate Britta Böhler anderhalve maand later gebruikte toen ze in NRC Handelsblad uitlegde hoe het met het Somalische namenrecht zat.28) Het woord kiezen moet dan weer gelezen worden in verband met de "bijzondere omstandigheden" waarover de procureur-generaal (PG) van de Hoge Raad in het arrest van november 1995 had gesproken: "Te denken valt aan gevallen[...] waarin de opgegeven naam een naam is waaronder de naturalisandus (ook) bekend staat en door hem - volgens het toepasselijke recht - bevoegdelijk is gevoerd." Als deze interpretatie juist is, betekent dat dat minister Verdonk zichzelf, de Kamer, Nederland en de wereld mogelijk een hoop ongemak had kunnen besparen door na haar telefoongesprek met mevr. Hirsi Ali op 15 mei twee dagen te wachten met het laten uitgaan van haar brief met de voorlopige constatering.
Hoe dan ook, de grootvader die oorspronkelijk Ali had geheten voordat hij omstreeks 1870 op ca. 20-jarige leeftijd de naam Magan ("beschermer van het land") verwierf, vormde inderdaad het middelpunt van de strategie waarmee mevr. Hirsi Ali haar Nederlanderschap trachtte te redden. Deze strategie omvatte vier fasen:
- Allereerst moest voor de stelling dat grootvader Magan oorspronkelijk Ali had geheten ondersteunend bewijs worden aangedragen en geverifieerd;
- Vervolgens moest aannemelijk worden gemaakt dat mevr. Hirsi Ali zich om die reden -- en omdat nog andere voorouders Ali hebben geheten -- volgens het Somalisch recht Ali mocht noemen;
- In de derde plaats moest worden aangetoond dat ze die naam, als dat zo was, ook in Nederland mocht dragen;
- En ten slotte moest uit dit alles blijken dat ze niet over haar naam had gelogen en dat ze "gedwaald" had toen ze beweerde dat dat wel zo was.
Eerder in haar brief had de minister geschreven dat zij "om de waarde van de argumenten van de gemachtigde te kunnen toetsen, [...] zowel de gemachtigde om ondersteunende bewijsstukken [had] gevraagd, als zelfstandig onderzoek [had] gedaan door een ambtsbericht aan de minister van Buitenlandse Zaken te vragen." En als resultaat van dat onderzoek meldt zij nu dat "in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken [...] een verklaring van de broer van mevrouw Ayaan Hirsi Ali [is] opgenomen waarin hij uiteenzet dat de grootvader bij geboorte de naam Ali droeg en vanaf ± 1870 tot aan zijn dood in 1945 de naam Magan heeft gevoerd."
De brief vermeldt niet welke andere verklaringen dan die van de broer en de schoonzus de gemachtigde nog had overgelegd, en tijdens het Kamerdebat is hier ook niet naar gevraagd. Toch is dat een interessante vraag, omdat de broer van mevr. Hirsi Ali, Mahad Hirsi Magan een van de getuigen in de Zembla-uitzending was geweest die hadden verklaard dat mevr. Hirsi Ali, anders dan zij beweerde, op haar bruiloft met de Canadese verre neef aanwezig was geweest; volgens een bericht van de Volkskrant van 13 mei had hij die verklaring echter kort daarna weer ingetrokken, maar volgens Kees Driehuis, de eindredacteur van Zembla, daarna opnieuw bevestigd. Ik vind die hele kwestie niet zo belangrijk, maar de opeenvolging verklaring -- ontkenning -- bevestiging wekt natuurlijk wel een zekere twijfel aan de betrouwbaarheid van de broer. Aan de verklaring van de schoonzuster kan weinig zelfstandig gewicht worden toegekend, aangezien zij het verhaal over de naam Ali vermoedelijk van haar man gehoord heeft. In deze situatie is het op z'n minst bevreemdend dat van de overgelegde verklaringen nu juist de verklaringen van deze twee in de brief van de minister worden vermeld.
Nog vreemder wordt het als de minister zich vervolgens beroept op een verklaring van dezelfde broer uit het ambtsbericht van haar collega van Buitenlandse Zaken. Zoals hierboven vermeld, had de minister de gemachtigde om ondersteunende bewijsstukken gevraagd en zelfstandig onderzoek in gang gezet door BZ om een ambtsbericht te vragen. Dat suggereert twee los van elkaar staande trajecten om bevestiging over de naam Ali te krijgen. Niettemin blijkt ook de minister van BZ uitgerekend bij de broer van mevr. Hirsi Ali te zijn uitgekomen, en wordt van hem en de schoonzus vermeld dat "deze getuigen [...], naar mij door de minister van Buitenlandse Zaken is bericht, een betrouwbare indruk [maken]". Kennelijk heeft de minister van Buitenlandse Zaken alleen die getuigen benaderd die door zijn collega Verdonk uit de door de gemachtigde aangedragen getuigen waren geselecteerd.
Eén naam is echter opvallend afwezig in zowel de ondersteunende bewijsstukken van de gemachtigde, zoals vermeld in de brief van minister Verdonk, als het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken: die van Hirsi Magan Isse, de vader van mevr. Hirsi Ali en de zoon van haar grootvader, Magan (of Ali) Isse Guleid. Deze werd in 1940 geboren, vijf jaar voordat zijn vader overleed, en woont in Londen. Hij is het enige nog in leven zijnde familielid van mevr. Hirsi Ali die haar grootvader zelf gekend heeft, en was bovendien vrij gemakkelijk bereikbaar. Als er iemand was die mevr. Hirsi Ali's verhaal over haar grootvader kon bevestigen, was hij het. En toch heeft noch de gemachtigde, noch de minister van Buitenlandse Zaken het kennelijk nodig of wenselijk gevonden hem te benaderen.
De lezer(es) moet zelf maar oordelen of hij/zij het verhaal over de grootvader die eerst Ali heette, en daarna Magan, en die op 90-jarige leeftijd de vader van mevr. Hirsi Ali verwekte, wil geloven. Enige hulp biedt mogelijk de wetenschap dat het verwekken van kinderen op zo'n hoge leeftijd niet onmogelijk is: wereldrecordhouder in dit opzicht is de Australiër Les Colley, die 92 of 93 was toen hij zijn laatste zoon kreeg -- zij het dat over zijn vaderschap enige twijfel lijkt te hebben bestaan. In elk geval concludeert minister Verdonk op basis van de ondersteunende bewijsstukken en het ambtsbericht: "Ik ben bereid dit als voldoende ondersteunend te aanvaarden."
De volgende vraag die rijst is of, aangenomen dat Magan Isse Guleid oorsponkelijk Ali Isse Guleid heette, mevr. Ayaan Hirsi Magan zich ook Ayaan Hirsi Ali mocht noemen. De minister verwijst hier -- heel in het algemeen -- naar de Codice civile Somalo, het Somalisch Burgerlijk Wetboek, en "wat meer in het algemeen bekend is uit het Islamitisch namenrecht", en beroept zich op niet nader genoemde deskundigen voor haar conclusie dat "als de naam van de grootvader inderdaad Ali is, zij de naam Ayaan Hirsi Ali kon voeren". Tijdens het Kamerdebat heeft ze enkele malen de naam van prof. [I.M.] Lewis laten vallen, maar het is zelfs niet duidelijk of haar ambtenaren, dan wel de gemachtigde van mevr. Hirsi Ali, contact hebben gehad met prof. Lewis, en zo ja, welke vraag of vragen hem zijn voorgelegd, dan wel dat men zich op zijn publicaties heeft gebaseerd. Volgens prof. mr. H.U. Jessurun d'Oliveira, emeritus-hoogleraar migratierecht van de Universiteit van Amsterdam en adviseur van het advocatenkantoor van mevr. Hirsi Ali, in de Volkskrant van 29 juni, heeft prof Lewis in een beëdigde verklaring bevestigd dat mevr. Hirsi Ali de naam Ali mocht voeren, maar het is niet bekend op welke vraag die bevestiging een antwoord was. Het is misschien nuttig hierbij op te merken dat de naam van de grootvader in Somalische namen sowieso minder belangrijk is dan die van de vader.29) Ook hier zij het aan de lezer(es) overgelaten of hij/zij de conclusie van de minister deelt.
De gemachtigde had ook nog aangevoerd dat mevr. Hirsi Ali de naam Ali mocht dragen omdat andere voorvaderen van haar zo hadden geheten. Het is mij niet helemaal duidelijk geworden of dat argument bij de minister in vruchtbare aarde is gevallen.30)
Wat de derde vraag betreft, namelijk of mevr. Hirsi Ali de naam Ali dan ook volgens Nederlands recht mocht voeren, doet de brief van de minister er het zwijgen toe. In haar eindconclusie geeft de minister als haar mening "dat het naturalisatiebesluit van 1997 mevrouw Ayaan Hirsi Ali voldoende identificeert en dat zij daarom het Nederlanderschap inderdaad heeft verkregen".31) Nergens in de brief wordt naar toepasselijke wetgeving en/of jurisprudentie verwezen, al duidt de term "identificeert" erop dat het arrest van de Hoge Raad het juridische kader vormt waarbinnen de minister tot haar eindconclusie komt. Mij lijken hier nog wel enige juridische haken en ogen te zitten. Zo zegt art. 5a lid 1 van de Wet conflictenrecht namen: "Indien de geslachtsnaam of de voornamen van een persoon ter gelegenheid van de geboorte buiten Nederland zijn vastgelegd of als gevolg van een buiten Nederland tot stand gekomen wijziging in de persoonlijke staat zijn gewijzigd, een en ander met inachtneming van ter plaatse geldende regels van internationaal privaatrecht, en zijn neergelegd in een overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte, worden de aldus vastgelegde of gewijzigde geslachtsnaam of voornamen in Nederland erkend." In het geval van mevr. Hirsi Ali mogen we ervan uitgaan dat in haar geboorteakte en in het huwelijkscontract van 1992 de (voor)namen Ayan Hirsi Magan zijn vastgelegd, en dat de naam Ali, als zijnde nergens vastgelegd, in Nederland ook niet erkend is. En of een bij de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie ingeschreven niet erkende naam in een naturalisatiebesluit geldig kan worden, lijkt me voor discussie vatbaar.
Ten slotte de vraag of mevr. Hirsi Ali wel of niet "gedwaald heeft in haar uitlatingen dat zij over haar identiteit heeft gelogen" (brief minister), of, anders gezegd: "Mijn mededeling, dat ik over mijn identiteit heb gelogen, geeft dus niet de werkelijkheid weer" (verklaring van mevrouw Ayaan Hirsi Ali). Mevr. Hirsi Ali heeft niet alleen meermalen verklaard bij haar asielaanvraag een valse naam en geboortedatum te hebben opgegeven, maar ze heeft daarbij ook vermeld waarom ze dat deed: om zich "onherkenbaar" te maken, dan wel omdat ze "was frightened that if I gave my real name, my clan would hunt me down and find me". Met dit in gedachten oordele de lezer(es) zelf over de uitspraak van mevr. Hirsi Ali's advocate over de vraag hoe het kwam dat mevr. Hirsi Ali dácht dat ze over haar naam loog: "Omdat anderen tegen haar hadden gezegd dat ze de naam Magan had moeten voeren, zei Britta Böhler gisteren. Anderen? Ja, mensen als Ebru Umar (columniste) bijvoorbeeld."
Ook het totaaloordeel over dit gedeelte van de zaak-Hirsi Ali laat ik graag aan de lezer(es) over. Mijn eigen mening is dat, nadat minister Verdonk eenmaal een juridische procedure was gestart met haar brief aan mevr. Hirsi Ali waarin ze haar haar voorlopige constatering meedeelde, de Tweede Kamer zich niet in de zaak had moeten mengen en het uiteindelijke oordeel aan de rechter had moeten overlaten. Tenzij de Kamer ook in andere individuele gevallen bereid is de minister in deze fase van de procedure op de vingers te kijken en haar door moties tot zorgvuldige onderzoeken en heroverwegingen aan te sporen, is er sprake van rechtsongelijkheid. De kans dat minister Verdonk zonder de bemoeienis van de Tweede Kamer met dit individuele geval in deze fase van de zaak tot hetzelfde oordeel zou zijn gekomen, lijkt mij niet groot. Weliswaar benadrukt de minister in haar brief diverse malen dat de door haar gevolgde procedure ook in andere gevallen wordt gevolgd, maar asielrechtadvocaten en migratiedeskundigen hebben erop gewezen dat bijvoorbeeld het accepteren van de verklaringen van familieleden als ondersteunend bewijs, en dan ook nog in deze fase van de procedure, niet eerder is voorgekomen.
Zoals bekend is het kabinet-Balkenende II in het Kamerdebat van 28-29 juni over deze zaak gestruikeld omdat de Tweede-Kamerfractie van D'66 niet kon leven met de manier waarop de "schuldbekentenis" van mevr. Hirsi Ali in de als bijlage bij de brief van de minister gevoegde "Verklaring van mevrouw Ayaan Hirsi Ali" terecht was gekomen. In een volgende post gaan we kijken hoe dit en de andere aspecten van de zaak in de media zijn overgekomen.
1) Drie weken is juist. De aanvraag werd 29 juli 1992 ingediend en op 19 augustus ingewilligd.
2) In de berichtgeving over de zaak-Hirsi Ali wordt nogal eens vermeld dat voor het verstrekken van onjuiste gegevens in de asielaanvraag en in het naturalisatieverzoek een "verjaringstermijn" van twaalf jaar geldt, maar in de wetgeving die in 1997 van kracht was, heb ik die termijn niet kunnen vinden. De "verjaringstermijn" van twaalf jaar duikt in het vreemdelingenrecht pas op in de artikelen 3.84 en 3.97 van het Vreemdelingenbesluit 2000, en in de Nederlandse nationaliteitswetgeving in art. 14, lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap ( zie ook: Vreemdelingenwet 2000; Nota n.a.v. het verslag, p. 24-25).
3) De regel is: wie heeft gelogen, moet blijven liegen, Trouw 19-05-2006.
4) "Ik ben Ayaan": bezoek mevr. Hirsi Ali met bewaking aan Theodor Holman, datuminzet 19 december 2002, op 12:24 minuten van de film. Stem Eveline van Dijck op 16:24: "Drie dagen later heeft Ayaan tijd om te komen eten en gaan we verder met onze homevideo". De terugblik begint op 22.50 met de vraag van Eveline van Dijck aan Theodor Holman: "Nou, Ayaan is weg, hoe voel je je?" Datuminzet: 23 december 2002.
5) Dat moet een merkwaardig gesprek zijn geweest. Volgens het toenmalige VVD-hoofdbestuurslid Mark Harbers waren de heer Eenhoorn en andere leden van het hoofdbestuur immers al op 30 oktober 2002 op de hoogte van de feiten waarover de AIVD hem zeven weken later informeerde (zie vorige post, noot 17). De lezer vergeve mij de opmerking dat het van een bewonderenswaardige discretie van de heer Eenhoorn getuigt dat hij de AIVD niet meteen verteld heeft dat hij al op de hoogte was.
6) Mirjam Lingen, 'Paars stopt vluchtelingen weg', NRC Handelsblad 17-09-2001; vgl.: Janny Groen, Een brede waaier aan bedreigingen, de Volkskrant 10-10-2002. Mevr. Hirsi Ali is op 21 augustus 1997 genaturaliseerd, Ayan Mahamoud volgens krantenberichten eveneens in 1997. Wie het naadje van de kous had willen weten had ook de twee KB's kunnen opzoeken waarbij aan beide dames het Nederlanderschap werd verleend.
7) Deze verandering heeft overigens niet geleid tot een overeenkomstige wijziging op de VVD-website. Hier stond tot in elk geval januari 2006 nog 13 november 1967 als geboortedatum opgegeven. Zie: Google's cachekopie van de pagina van mevr. Hirsi Ali op de VVD-website.
8) Het voornemen van mevr. Hirsi Ali om naar de Verenigde Staten te vertrekken dateert al van eind 2005. Hoewel ze begin november 2005 tijdens een bijeenkomst in de Rode Hoed in Amsterdam nog verklaarde: "Ik blijf in Nederland, voor de rest van mijn leven," had ze volgens de toenmalige fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer, Van Aartsen, in december "een vaag plan om naar Amerika te gaan" en had dat voornemen concrete vorm aangenomen nadat Van Aartsen op 8 maart 2006 als fractieleider was teruggetreden. Volgens de heer Van Aartsen was de uitspraak van het Gerechtshof "voor haar de klik geweest".
9) Al deze betrokkenen moeten zich er ook van bewust zijn geweest dat die onwaarheden consequenties voor het Nederlanderschap van mevr. Hirsi Ali met zich meebrachten. Dat blijkt uit het "Feitenrelaas Onderzoek IND 2002" en het daarin genoemde IND-memorandum van 10 december 2002. Volgens het Feitenrelaas stond daarin dat "wanneer sprake zou zijn van een onjuiste identiteit, dit zou betekenen dat zij feitelijk niet is genaturaliseerd"; deze informatie ging de hele keten van betrokkenen door en arriveerde ten slotte bij de heer B. Eenhoorn, die daarover blijkens de "terugblik" van Theodor Holman in de documentaire "Ik ben Ayaan" op 23 december 2002 ook mevr. Hirsi Ali informeerde. Het kan bijna niet anders dan dat het mevr. Hirsi Ali in dat gesprek duidelijk moet zijn geworden dat een al te grote openheid over haar werkelijke naam en geboortedatum risico's met zich meebracht.
10) Uit de vragen, die onder meer ook gaan over de mededeling van mevr. Hirsi Ali dat zij bij haar asielaanvraag had gemeld dat ze uit Somalië naar Nederland was gekomen, en niet uit Kenia via Duitsland, blijkt dat de heer Nawijn op het moment dat hij de vragen stelde, niet op de hoogte was van de "verjaringstermijn" van twaalf jaar in het Vreemdelingenbesluit 2000 (art. 3.97). De minister had de vragen ook in die zin kunnen beantwoorden, maar had inmiddels beseft dat het probleem niet in de asielprocedure van 1992 maar in de naturalisatie van 1997 lag. Om die reden had ze mevr. Hirsi Ali al op de 15e gebeld om haar mee te delen dat ze de Nederlandse nationaliteit niet bezat.
11) De omstandigheid dat minister Verdonk op de 12e nog had aangegeven dat mevr. Hirsi Ali niets te vrezen had, en op de 13e een onderzoek startte dat twee dagen later uitmondde in de voorlopige constatering van de minister dat mevr. Hirsi Ali de Nederlandse nationaliteit nooit had verkregen, heeft eveneens veel kritiek opgeroepen. Maar ook daarvoor is een eenvoudige verklaring: op de 12e verkeerde de minister nog in de veronderstelling dat alleen het vreemdelingenrecht, met zijn verjaringstermijn van twaalf jaar, van toepassing was; de dag daarop werd het haar duidelijk dat het probleem niet zat in de onwaarheden die mevr. Hirsi Ali in haar asielaanvraag had opgedist, maar in die welke in haar naturalisatieverzoek stonden.
12) Een van de verwarrende aspecten van deze zaak is dat deze brief (als mededeling van het voornemen tot een besluit, zie art. 66) deel uitmaakt van een procedure die is beschreven in het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, art. 66-70 (Paragraaf 3. Procedure van intrekking van het Nederlanderschap); zie Brief minister Verdonk over naturalisatie mevrouw Ayaan Hirsi Ali, 5e alinea. Maar deze procedure heeft betrekking op art. 14, lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), en niet op de situatie die intreedt als het Nederlanderschap niet verkregen is. Bij mijn weten is voor die situatie geen procedure voorzien. De Handleiding bij de RWN zegt daarover: "Er moet van worden uitgegaan dat de vreemdeling die onder valse personalia heeft geprobeerd het Nederlanderschap te verkrijgen nog in het bezit zal zijn van de nationaliteit die behoort bij zijn werkelijke personalia." Zie ook: Verdonk kan niet constateren, alleen intrekken van de jurist en publicist J. Wolters. Deze schrijver heeft wel een punt: in plaats van een procedure te volgen die voor het geval-Hirsi Ali en soortgelijke gevallen niet bedoeld is had minister Verdonk mevr. Hirsi Ali (en naturalisandi in soortgelijke omstandigheden) ook kunnen vragen haar (hun) Nederlanderschap door de rechter te laten toetsen.
13) Anders dan prof. De Groot in NRC Handelsblad van 15 mei stelt is het niet minister Verdonk maar haar voorganger, de heer Nawijn, geweest die heeft gekozen voor de "zeer rigide opvatting over de consequenties" van identiteitsfraude. In de uitgave 2003 van de (losbladige) handleiding is dit blad aangeduid als aanvulling 10, januari 2003. Mevr. Verdonk is pas eind mei 2003 minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie geworden.
14) TK 78-4857, vgl. TK 78-4866.
15) Op 27 februari 2003 meldde de Volkskrant in een andere rel: "Ook de directeur van het kabinet der koningin, Felix Rhodius, heeft volgens Brouwers nooit initiatief genomen tot een antecedentenonderzoek en 'heeft er ook geen weet van'." Ruim een week later bleek dat Rhodius in een onderonsje met het plaatsvervangend hoofd van de BVD, Onno Koerten, gedaan had gekregen dat onder meer bij de Sociale Dienst in Amsterdam door de BVD het dossier van De Roy van Zuydewijn was ingezien.
16) Beginnend vanaf 21 minuten, 12 seconden.
17) Beginnend vanaf 24 minuten, 13 seconden.
18) TK 78-4851.
19) Thans directeur-generaal Openbare Orde en Veiligheid bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
20) Een schriller contrast tussen deze ambtelijke indolentie en de daadkracht van de minister, drie-en-een-half jaar later, is bijna niet mogelijk.
21) TK 78-4867, zie ook http://blokje.free.fr/images/motie1.html
22) Een derde motie, van de heer Van der Vlies (SGP; TK 78-4871) werd in derde termijn teruggetrokken.
23) In de tekst van de motie zoals weergegeven op de website van de heer Verhagen (versie van 15 juli) staat hier in plaats van "zorgvuldig": "zorgvuldiger". Maar vanzelfsprekend prevaleert de tekst zoals die in de Handelingen (TK 78-4881) en de Kamerstukken (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 3) voorkomt.
24) TK 78-4858.
25) Het Amsterdamse advocatenkantoor Böhler Franken Koppe Wijngaarden.
26) Krom: "Hoewel een onjuist geboortejaar in voorkomende gevallen wel kan leiden tot onderzoek naar de identiteit van betrokkene..."; onbegrijpelijk: "Ook uit het ambtsbericht dat ik aan de minister van Buitenlandse Zaken heb gevraagd blijkt dat het acceptabel kan zijn om een naam van één van de voorvaderen te gebruiken. Ik teken daarbij aan dat voor het gebruiken van deze naam in het algemeen nodig zal zijn het voorkomen van deze naam in het geslachtsregister aan te tonen. Vanwege het gebrekkige bestuurlijke en juridische systeem ter plaatse, is dat in dit geval echter niet mogelijk, nog daar gelaten dat niet is vast te stellen of deze handelwijze in het ter plaatse geldende recht in de desbetreffende tijd ook werkelijk geldig was"; gebrekkig: "Dat uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat de familie in de registers in Kenia uitsluitend onder de naam Magan geregistreerd staat, doen niet af aan het gegeven..."; "Nu er twijfel is ontstaan over de identiteit van mevrouw Ayaan Hirsi Ali, niet in het minst door toedoen van betrokkene..."
27) "And I was frightened that if I gave my real name, my clan would hunt me down and find me. So I chose a name that I thought I could disappear with - the real name of my grandfather, who was given the birth-name Ali. I claimed that my name was Ayaan Hirsi Ali, although I should have said it was Ayaan Hirsi Magan."
28) "Zowel de vader van Hirsi Ali als haar broer voeren als ‘achternaam’ de naam Magan. [Dit is onjuist: de 'achternaam' van de vader zou Isse zijn. -- MH] Dat mag, legde Böhler gisteren uit, maar ze hadden óók voor Ali mogen kiezen, zoals Ayaan deed. In Somalië gebruiken mensen geen achternamen. Maar toen Hirsi Ali in 1992 naar Nederland kwam, moest zij een voornaam én een achternaam opgeven. Ze koos voor Ayaan Hirsi als ‘voornamen’ en voor Ali als ‘geslachtnaam’. Dat staat in het Koninklijk Besluit van 21 augustus 1997, op basis waarvan Hirsi Ali het Nederlanderschap heeft verkregen."
29) Zie Jack L. Davies, Reunification of the Somali People, Appendix 4: The Somali Ethnic Group and Clan System: "The Somali people, as in most ethnic groups of this region, only use given first names and no family name, as is customary in Europe. For better identification, each individual states the names of his or her father, grandfather, etc. to an optional number of levels after their own given name. This is often confusing for us, since we often call a Somali with the name of X Y Z simply Mr. Z. However, this is improper, since Y, the name of his father, is more important than Z, the name of his grandfather." Mevr. Hirsi Ali had zichzelf en anderen een hoop ongemak kunnen besparen door in 1997 de naam Ayaan Hirsi aan te nemen. Volgens art. 12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) had dat ook gekund. Voor meer interessante informatie over de naamgeving in Somalië zie Genealogy of the Somali People and its impact upon Somali History, Somali Governance, and Somali Culture van dezelfde auteur.
30) "De gemachtigde van mevrouw Ayaan Hirsi Ali voert daarnaast aan, dat zijn cliënte ook de naam Ali mocht voeren, omdat ook twee andere voorvaders die naam droegen. Ook uit het ambtsbericht dat ik aan de minister van Buitenlandse Zaken heb gevraagd blijkt dat het acceptabel kan zijn om een naam van één van de voorvaderen te gebruiken. Ik teken daarbij aan dat voor het gebruiken van deze naam in het algemeen nodig zal zijn het voorkomen van deze naam in het geslachtsregister aan te tonen. Vanwege het gebrekkige bestuurlijke en juridische systeem ter plaatse, is dat in dit geval echter niet mogelijk, nog daar gelaten dat niet is vast te stellen of deze handelwijze in het ter plaatse geldende recht in de desbetreffende tijd ook werkelijk geldig was. "
31) Die eindconclusie trekt ze nadat ze heeft aangegeven het onweerlegbare feit dat mevr. Hirsi Ali in haar asielaanvraag en haar naturalisatieverzoek ook een verkeerde geboortedatum had opgegeven "op zichzelf onvoldoende [te achten] om de identificatie van betrokkene in twijfel te trekken". Immers, aldus de minister, "ook in andere gevallen waarin alleen het geboortejaar onjuist was, [is] niet definitief door de rechter vastgesteld dat het Nederlanderschap niet verkregen is". Dat mag zo zijn, maar anderzijds maakt het al vaker genoemde arrest van de Hoge Raad geen onderscheid naar het aantal en soort gegevens dat bij de identiteitsfraude is vervalst.



1 Reacties:
Ik blijf deze "poging tot ontwarring" gefascineerd lezen. En ben heel benieuwd of Marten Hofstede aan het eind van zijn poging de vraag kan beantwoorden die hij zelf opwierp aan het begin van zijn exercitie: "zijn er regels te bedenken aan de hand waarvan we betrouwbare informatie kunnen vinden en -- vooral -- onbetrouwbare informatie kunnen vermijden?". Mocht het antwoord bevestigend luiden en een aanzet tot het opstellen van die regels kunnen worden gegeven, dan zou zijn hele verhaal als (spannend!) leerboek op de IDM-opleidingen moeten dienen.
Een reactie plaatsen
<< Home